Eerst je hoofd, dan je lijf, een blik op de klok. Ik kan er diezelfde klok op gelijk zetten. Je kruipt tussen ons in en ik schuif een beetje op. We delen een hoofdkussen. En heel wat wangkussen. Als sinds je kan lopen is dit je ochtendritueel. Een ritueel waaraan ik niet wil wennen. Je praat over dat computerspelletje dat ik zo stom vind en die schoolweektaak die nog af moet. Je vraagt me dingen over planeten of scheikunde. Die ik dan aan je vader moet vragen, want weet ík veel. Tien zalige minuten waarvan ik steevast de hele laatste minuut pieker over wanneer dit stopt. En alleen als ik mezelf innerlijk toespreek kan ik de tranen bedwingen. Daarom hou ik je vast, jou én het moment.
Het is al een tijdje stil in de auto. Je mag niet op mijn telefoon, dus tel je de lantaarnpalen. ‘Wat voor winkel is dat? Die waar dat rode licht altijd brandt?’ Ik kan doen alsof ik je niet heb gehoord, of het lafjes over een andere boeg gooien. Ik kan doen wat mijn vader deed, toen mijn zus diezelfde vraag aan hem stelde in 1979, toen ze eenzelfde bordeel passeerden aan de Roermondseweg. ‘Dat is een lampenfabriek,’ zei hij, waarna hij het gaspedaal nog iets verder intrapte.‘Je weet toch hoe ik je vorig jaar uitlegde hoe baby’s worden gemaakt?’ Je knikt en grinnikt. Ik ook. Want weken geleden deelden we op jouw verzoek de voor jou compleet nieuwe en gore informatie dat je ouders, net als de meeste andere papa’s en mama’s, dit óók doen zónder dat er consequenties in de vorm van een baby op volgen. ‘Doen jullie dat dus ook zómaar!? Dat heb ik jullie nog nooit zien doen!?’ ‘Dan doen we het goed,’ zei papa toen lachend.
‘Nou, daar in die ‘winkel’, zijn vrouwen die dat wel willen doen met mannen die niemand hebben.’ Ik kijk vluchtig opzij en gun je even wat verwerkingstijd. ‘BAH!’ kokhals je.
‘Morgen tien jaar geleden ontmoette ik je voor het eerst…,’ mijmer ik hardop in de hoop dat we klaar zijn met ongemakkelijke details. ‘Was je toen blij, ook al deed het pijn?’ Je kijkt vluchtig opzij en gunt me wat verwerkingssnelheid.
Ik zou het allemaal gracieus ondergaan, had ik me zo bedacht. Gecontroleerd puffend, in een pyjamatisch niemendalletje, een zweetdruppel of twee boven mijn linker wenkbrauw en een ontspannen man naast mijn bed. De foto’s zouden fantastisch worden.
Eenmaal midden in het oog van de weeënstorm, wist ik niet meer hoe ik heette en fungeerde mijn man als een soort fitnessapparaat dat ik af en toe vastgreep uit pure paniek. Het eerder zo keurig bedachte puffen maakte plaats voor het type spuugblazen dat je doet als er tijdens het fietsen een zwerm vliegen je mond in is gevlogen. Op de foto’s die mijn man uit een of andere dode hoek maakte van mijn paars aangelopen gezicht, lijk ik in niets op die ongedeerde vrouwen uit de filmbevallingen. En toen, eerst zijn hoofd, daarna zijn lijf, een blik op de klok. Hij kroop tussen ons in. Ik schoof een beetje op. Deelde mijn hoofdkussen, en heel wat wangkussen. Ik hield hem vast, hem én het moment. Ik verzekerde hem dat ik altijd bij hem zou blijven, dat hij nooit bang hoefde te zijn en dat ik hem altijd zou beschermen. Vanaf het prille begin overtuigd van zijn goede hart.
‘…Nog nooit zó blij geweest,’ verzeker ik je. En terwijl jij alweer de lantaarnpalen telt, wordt de lampenfabriek in mijn achteruitkijkspiegel kleiner en kleiner.
