Er hing een vaal ochtendzonnetje met een vleugje brutale lente, maar toch blies ik koudewolkjes van opwinding. Om mijn dunne onderarm bungelde een rieten mand, bekleed met een rode boerenzakdoek. In de mand rolden vierentwintig surprise eieren. In mijn haar mijn signature vlechtje met dito strik. Grote passen op mijn nieuwe schoenen brachten me naar school. Ik was die nacht acht jaar geworden en dat zou de wereld weten ook.
Met mijn mandje liep ik die ochtend de kring rond en overhandigde iedereen een chocolade ei. Er werd keihard gezongen en bij de laatste ‘gloooooriiiiáááá’ rukte iedereen collectief het papiertje er vanaf. De een ontleedde het ei zorgvuldig, de ander beet de kop eraf. Het mollige kind van de klas zag ik het hele ei met surprise en al herkauwen. Sommigen prutsten mini bouwwerkjes in elkaar, anderen reageerden uitgelaten toen ze een schattig smurfje uit het gele bolletje visten.
Mijn moeder zei me altijd: ‘Jij hebt een gul hartje, je geeft liever dan je krijgt.’ Ik keek de kring rond en geloofde dat ik wist wat ze daarmee bedoelde.
Één meisje viel me echter op. Haar hoofd voorover gebogen, het chocolade ei keurig in tweeën gebroken, liggend in de palm van haar hand. De juf zag het ook en tilde met één hand onder haar kin een betraand snoetje op. Er werd gefluisterd en de juf keek een beetje onwennig om zich heen. ‘Wat is er? Vind je de traktatie niet leuk?’ vroeg ik haar. ‘Er zat bij mij niks in.’ Verdrietig toonde ze me haar eidooierloze surprise ei. Mijn hart zakte in mijn buik. Zij, altijd de loner van het stel. Die door haar bescheiden karakter geen aansluiting kon vinden bij de vrijpostige rest. Die altijd lief was voor iedereen en er nooit iets voor terugvroeg. Die gemeen werd uitgelachen als ze niet dé L.A. Gears droeg of de nieuwste hit van Roxette kende. Die altijd alleen speelde omdat ze niet veel anders gewend was. Het nieuwtje kroop door de kring en er werd gefluisterd en gewezen. Een enkeling lachte schaapachtig en kneep zijn smurfje vast in zijn hand.
‘Wie heeft een oplossing?’ De juf stapte demonstratief uit de kring en een ongemakkelijke stilte volgde. Het meisje keek niet op, liever verdween ze achter haar te lange pony. Soms moet iemand opstaan, opstaan voor de ander. Ik wilde het wel doen, maar de juf drukte me met haar dwingende ogen terug in mijn versierde stoel. Stilzwijgend stond ze op, de dapperste van hen allemaal. ‘Je mag dat van mij wel hebben, hoor.’ Ze reikte haar gesmurfde hand. Als in een wave effect stroomde de -soms schijnheilige- aanbiedingen binnen bij het meisje wiens tranen inmiddels waren verdampt van de rode warme gloed op haar sproetige wangen. Mijn gulle hart maakte een sprongetje.
Het mandje bungelde leeg aan mijn arm op weg naar het open schoolhek. Het meisje huppelde naar haar moeder, sloeg verrukt grote stukken schoolplein over. De zakken van haar verwassen bloemenjurk stonden van alle kanten bol van de plastic gele eidooiers.
‘Mag ik al een sjoklade eitje?’ De oudste blonde broer trekt zijn befaamde koalagezicht. ‘Die bewaren we voor morgen,’ lieg ik.
Ik neem een hap uit een sjoklade ei als hij op bed ligt en ik in mijn eentje een metertje of vier schreeuwend gekleurde slingers tegen het plafond gevloekt heb. ‘Het leven is een feest, je moet alleen zelf de slingers ophangen!’ Mijn man komt grinnikend binnen omdat hij weet hoe vréselijk ik die uitdrukking vind.
‘Morgen vierenveertig…’ Aan zijn arm bungelt een cadeautasje.
Aan de mijne ineens weer dat meisje van acht.
Verrukt sla ik grote stukken vloer over.
Zijn gulle hart tegen het mijne klopte aan alle kanten.
