In een plank houding staar ik naar de katoenvezels van mijn handdoek. Op enig moment raken ze bijna mijn oogballen aan. Als de trainster niet kijkt zet ik daarom lafjes mijn knieën eronder. Mijn hartslag verslaat de beat van de kneiterharde house die tijdens deze boksfitles al een uur door de speakers klinkt.
Om precies 20.00 uur stopt de muziek en laat ik mijn trillende lichaam rusten op de schuimen ondergrond. Behalve het krassende gepiep van licht wiebelende bokszakken is er niets meer te horen. Soms kijken we naar elkaars bezwete gezicht, maar niet te lang. Want deze twee minuten zijn voor onszelf. En de honderdduizenden oorlogsslachtoffers van toen, en vandaag.
Het ongeziene geluk van het überhaupt aanbreken van een nieuwe dag ontgaat me ook nu weer. Zijn nieuwe fiets is iets te groot en de bocht die hij ermee had willen nemen ook. Een val was onvermijdelijk. En nu fietst hij brommend voor me uit. De zon staat laag, maar weet de jonge mais nog overal te raken. De vogelverschrikker houdt dapper de wacht, zijn ruiten overhemd wapperend in de milde wind. Het kronkelende fietspad, het kleine leeuwtje op zijn blikken mobiel. Ik voel me als Dorothy, in the Wiz. Als een ontvankelijke Diana zit ik op mijn knalroze stalen Ross en probeer de kleine bromfietser bij te houden.
Ik zat op de grond, hield me angstvallig vast aan het hoogpolige tapijt. Mijn broer zat op de ene bank, mijn zus op de andere. Nadat in het metrostation zelfs prullenbakken tot leven kwamen kroop ik bibberend onder de salontafel. The Wiz, púre horror vond ik het. Bij de hoopvolle vioolklanken van A Brand New Day waarop ook Michael Jackson zijn uitzinnige moves onder het stro vandaan danste, ontdekte ik één van mijn lievelingsemoties. Opluchting. Een verschoven deadline. Een glas water na tergende dorst. Een nachtmerrie waarna je je ogen gewoon weer kan openen of het ontspringen van een nijpende dans. Het loslaten van spanning en de terugkeer naar ademruimte is wat bevrijding met zich meebrengt.
In het dorp golven enkele vlaggen, ze hangen vast aan veilige huizen. Met de neuzen van zijn schoenen brengt hij het nieuwe gevaarte tot stilstand. Mokkend duwt hij het stuur met één kant in de buxus. Ik open de deur van mijn ouderlijk huis, alwaar mijn moeder de bromfietser liefdevol begroet. ‘Ik heb je wel tien keer proberen te bellen, ik dacht dat er iets aan de hand was,’ zeg ik haar verwijtend. ‘Ik was gewoon even buiten, ik loop niet zoals jullie de hele dag met die telefoon in mijn handen. Ik ga nergens heen hoor,’ knipoogt ze naar de bromfietser. Haar stemtoon is laag, maar weet me nog overal te raken. Mijn gedempte zucht gaat op in haar argeloosheid. En even ben ik vrijer dan ooit.
