Bij thuiskomst leg ik de post en sleutels op het aanrecht en pluk verspreid over de gang, en met mijn jas nog aan, de uitgeschopte kinderschoenen van de vloer. Eenmaal bij het aanrecht bekijk ik de post en voel me opeens duizelig. ‘ Gaat het?’ vraagt de oudste bezorgd. Ja hoor, verzeker ik hem als het wegtrekt. ‘Je weet toch wel wat je moet doen als er iemand écht in nood is?’ Ik knik naar mijn telefoon om hem te helpen. ‘De fiets op en naar
oma!’ Hoewel zijn zelfverzekerde familiaire antwoord mij enorm vertedert, leg
ik hem nogmaals uit over 112. Het is zijn grootste angst dat mij iets overkomt.
En andersom heb ik dat precies zo. En die angst voor mogelijke noodsituaties is
een intergenerationeel patroon, dat ik naarstig wil doorbreken.
Ik tel al af naar onze vliegvakantie naar Spanje: Uno, Dos, Stress.
Als kind vond ik vliegen fantastisch. Met mijn neus tegen het raam, genietend
van een potje pesten op de tray table of plakkerig roerei met een plastic lepel. Ergens na Nine Eleven denk ik, werd ik me bewust van de gevaren en sinds
enkele jaren maskeer ik mijn vliegangst lafjes met vliegschaamte.
Ook mijn man heeft last van vliegschaamte. Hij schaamt zich
voornamelijk voor zijn vrouw. Want tegenwoordig begraaf ik mezelf elke vlucht in zijn nek of in die van een willekeurige andere passagier en bid ik gebedjes die ik dankzij miin misdienaartijd op elk gewenst tijdstip ergens uit mijn
neocortex kan terughalen. Turbulentie is voor mij alsof mijn laatste uur heeft
geslagen en ik bestudeer de mimiek van de cabin crew nauwlettend om mezelf voor te bereiden op een paniekerige noodlanding.
Als Leonardo die avond met zijn zojuist bij elkaar gepokerde tickets aan boord rent van de Titanic, verkneukel ik mezelf om de inrichting van mijn bankstel. Ik deel ‘m met mijn man en de oudste blonde broer. De
jongste is tijdens de openingstitels als afgetaaid. Nog voordat Leo zijn hut
heeft gevonden heeft de oudste al minstens twee keer gevraagd wanneer het schip ten onder gaat. Als Rose en Leo na een uur bezweet op elkaar liggen legt hij met zijn hoofd in een sierkussen zelf bijna het loodje, want: GATVER.
Net na het raken van de ijsberg zetten we vanwege bedtijd de film op pauze. ‘Ik ga nóóit op een schip’, waarschuwt de oudste als ik het dekbed voor hem opensla. ‘Als er iets gebeurt, kan je nergens heen!’ Je kan
altijd naar mij.’ Hij bestudeert mijn mimiek nauwlettend. Hij gelooft ogen eerder dan woorden.‘Ik zal je altijd vinden,’ beloof ik.
Hij draait zich om, half gerustgesteld, half nog op zee. Ik begraaf mezelf in zijn nek. Ik wil geen rampen doorgeven, maar nooduitgangen. Ik zal ze vlucht-en schoenvrij houden. En het patroon op het zinkende schip verlaten.
