Je rolde naar me toe, je was een maand of zes
En eenmaal wetend hoe, vond jij het een succes.
Je rolde ook vooral, waar er geen kleed meer was
Je rolde bovenal, richting het stopcontact
En kon je eenmaal staan, was de bank je favoriet
Je knie er tegenaan, maar erop lukte nog niet
Je werd een potje kwaad en opeens zat je erop
Triomf in ’t gelaat en je klapte supertrots
En op je elfde maand, bij de tafel, keek je om
Je zocht me en je vond, hoe ik met open armen stond
Je zeverlip, je ogen wijds, ik zou er zo in blijven
Vier meter en mijn armen wijd, je wang tegen de mijne
Je maakte je los, af en toe keek je opzij
En ik, blakend van trots, in je kielzog, of aan je zij
Je rolde met je ogen, was immers bijna negen
En stampte maar naar boven, want, je zin niet gekregen
Je wilde graag vooral, waar je Ma juist niet was
Kijken wat er kan, als je stopt met dat contact
En ik had mijn armen wijd, wilde je wang tegen de mijne
Maar jij was me liever kwijt, ik zou er zo in blijven
Maar de deur ging op een kier en ik wachtte keurig af
En ik zei je: ‘Ik ben hier!’, met mijn allang geruste hart
Word maar een potje kwaad, dat hoort er gewoon bij
Want jij weet waar ik sta: vier meter, armen wijd
Je rolde naar me toe; je mocht in ’t grote bed
Ik weet eig’lijk niet hoe, hoe je zomaar negen werd.
En altijd dat contact; een hand, een teen, een wang
Je hebt me ingepakt, heb ik altijd naar verlangd
Nu ben je losser, meer dan ooit; en met soms een blik opzij
Blijf ik daar in je kielzog, als je wil ook aan je zij.