‘Mijn hele leven lang, heb ik steeds gedacht, als je maar zoekt, dan zul je ooit eens vinden. Een engel die al lang, op me heeft gewacht, en zich voor altijd aan me wil verbinden…’ Brandsteder zong het zijn kersverse bruidsparen toe, terwijl hij de lichtgevende showtrap afdaalde. Ik
nam, riekend naar Badedas en met het haar nog nat, een hap uit mijn melbatoastje met roompaté. Op zaterdagavond maakten we het extra gezellig. Dat betekende dat de immer zo keurig geplooide gordijnen dicht gingen, de salontafel werd gedekt met neut en noot en ik me zo gelukkig voelde dat ik dan en daar had kunnen sterven.
Een plek op de showtrap van Ron, of zingen in het achtergrondkoor van René Froger. (‘Just say Hello! Hello!’) was wat mij betreft het hoogst haalbare. Ik oefende ettelijke malen voor de teevee en kopieerde het hooggekuifde en goedgebeende vrouwelijke zang ensemble of mijn leven er vanaf hing, in lijn met de benepen tonen uit de dikke, geaderde keel van Froger.
De twee blonde broers rieken naar Badedas, en met hun haar nog nat, brengen we een kort bezoekje aan mijn nicht en haar nieuwe huis in
België. Op de terugweg via de Maaseikerweg, sommeer ik mijn man telefonisch de keurig geplooide gordijnen vast dicht te maken. Ik wijs hem op het Viennetta ijs dat ik voor de gezellige gelegenheid eerder die dag al in de overvolle vriezer had gevloekt.
Plots zie ik een draaiend fietsenwiel in de lucht met daarnaast een oude man liggend op straat. Samen met enkele andere omstanders help ik de gehavende senior naar de veilige kant van de weg. ‘Wat is er gebeurd?,’ vraag ik hem terwijl ik hem ondersteun. ‘Niet goed uitgekeken,’ geeft hijj stamelend toe. De man die hem had aangereden, spreekt geen Nederlands. Toch maakt hij met trillende handen en voeten duidelijk dat de fikse deuk in zijn auto totaal onbelangrijk is. ‘He okay, then me okay,’ zegt hij meermaals.
Een Arabische passant belt 112, hij beantwoordt de vragen van de
alarmcentrale met voorzichtige precisie. Achter mij rolt een Rooyse R uit de
mond van iemand die samen met een passerende Belg voor de oude man een
rrrolstoel gaat halen. Drie anderen regelen het gestokte verkeer en een
buurman stelt mijn kinderen gerust die hun moeder met weinig verdere
instructies de auto uit hadden zien rennen. Zich hardop akelig realiserend dat
de man dan en daar had kunnen sterven.
‘Een eigen huis, een plek onder de zon..,’ knijpt René op de achtergrond, en met het knisperende chocola van het ijs tussen mijn tanden zie ik erop toe hoe de oudste het aangedikte verkeersongeval verhaal aan mijn man vertelt. Waarbij hij hakkelend jokt tegen zijn pa dat ik zojuist iemands leven heb gered.
Maar wat we daar samen deden was desondanks het hoogst haalbare. Voor die 83-jarige man die niet goed had uitgekeken. Dus keken wij uit, naar hem én naar elkaar.
Want engelen bestaan wél. En niet alleen op schouders.
