De Poolse arts pedagoog Korczak schreef ooit over de mens en zijn fundamentele recht op
malligheden. Leg er de loep op, en iedereen heeft dat gekke randje. Daarnaar op
zoek gaan bij mijn medemens om het vervolgens te kunnen snappen is een bezigheid
waar ik erg van geniet. Bij mijn man bijvoorbeeld, van aard een jaloersmakend
evenwichtig type, heb ik lang moeten zoeken. Enkele jaren geleden vond ik het.
In onze schemerige slaapkamer werd ik wakker van een schaduw op het plafond.
Naast mij lag, grotendeels vredig, mijn man in -wat leek op- een diepe slaap.
Hij bracht zijn gerechte arm langzaam, bijna ceremonieel naar boven, daar hield
hij zijn hand secondenlang stil. Om ‘m vervolgens in dezelfde plechtigheid te
laten zakken, ermee onder zijn neus te wrijven en weer verder te slapen. Ik
betrap hem er minstens drie keer per maand op. Of hij in het geniep aan synchroonzwemmen doet of last heeft van parasomnische tics, blijft tot op heden onbeslist, maar ik
vínd het interessant.
Dat ik ooit de psychiatrie ingerold ben, is een logisch gevolg van onbeheersbare nieuwsgierigheid naar psyche en gedrag en dat stellige geloof in het recht van de mens op die
malligheden. Ik heb me als kind meer dan eens vergaapt aan zwervers, of
dorpsgekken. De types die aan de rand van een dorp én de samenleving wonen.
Zo’n vijfentwintig jaar geleden kwam ik een inmiddels leeg perron opgelopen nadat ik in het midden van de stenen trap de trein al had zien wegrijden. Ik, gehuld in een strakke
spijkerbroek een bomberjackie en op torenhoge hakken keek recht in de ogen van de
man wiens trein al jaren geleden leek te zijn ontspoord. Met de tengere
ellebogen achter de rugleuning van het houten bankje, een shaggie op zijn
onderlip en een roodbruine sluike haarlok voor zijn gezicht keek hij me door
vieze brillenglazen aan. ‘Wat een óngelooflijk práchtige verschijning ben jij!’
Ik lachte schamel, nam drie bankjes verder plaats en bekeek hoe hij complete
conversaties met zichzelf voerde. Volgens sommigen was hij een eenzame
alcoholist. Anderen meenden dat zijn uitzonderlijke hoogbegaafdheid hem parten
speelde. De meeste mensen die ik erover sprak bleven bij hun dogmatische
mening. Gekke Hans. Een er niet toedoende dwaas. Een eerlijke kans kreeg hij
zelden, laat staan een tweede. Het spijt me zo dat ik nooit heb durven vragen
naar zijn verhaal. Ik was gewoonweg te jong.
Zijn conversaties verdienden dappere oren en een zacht hart.
Ik strik mijn veters op een bankje en met mijn ellebogen achter
de rugleuning kijk ik recht in de ogen van het dametje met de oude kranten. Het
brilletje in het midden van haar gezicht, het witgrijze knotje boven haar
gekromde rug. Ze heeft geen contact met haar zoon. Ze is graag in het biebcafé,
is dol op katten. En op kinderen die niet in de pas lopen.
Gelukzalig balanceer ik voor even samen met haar op die
impopluaire rand. Ze laat mijn dappere oren wapperen. En heeft mijn zachte hart
gestolen.
