Terwijl ik kijk hoe de weg voor me, strak en saai, wordt opgeslokt, breng ik mijn hand in de vorm van een kommetje van het stuur naar de achterbank. Het duurt nooit lang voordat hij zijn sokloze, zachte tweejarige hakje in mijn handpalm legt. Omdat ik hem bijvoorbeeld niet altijd kan vinden in de spiegel of om te checken of hij slaapt, is dit onze vaste manier van contact. Ik wrijf, knijp zachtjes, tel tenen. Hij wiebelt. Een woordeloos en wederzijds ‘Ik hoor bij jou.’ Jaren later doet hij dat nog steeds, al moet er tegenwoordig eerst een flipflop maat 36 voor uit.
Ik mis dat opeens, nu ik hier alleen sta, in de branding van een Portugese baai. Mijn vriendinnen gingen vast wandelend terug, ik zou een taxi nemen. Ik beloofde mezelf een kleine poëtische overpeinzing, met zoutig warrig haar. Nét als ik een miniscule traan in mijn linkeroog heb weten te dramatiseren, voel ik de dwingende terugstroom onder mijn voeten. Het toch al te kleine handdoekje dat ik veel te ambitieus zowat tégen de branding legde, vecht als een octopus tegen de vloeibare ontvoering, en vouwt zich dapper om de krokante hakken van een lederbruine Portugees. Als ik het natte vod wil pakken, tilt de beste man zijn knie op, omdat hij zojuist hordelopend die Atlantische Oceaan in wil. Nu sta ik als een gebukte driehoek, hakken in dat verdomde drijfzand, en met mijn handen op en aan de handdoek die met Speedo Gonzalez mee dreigt te reizen. Mijn haar dipt in de branding, ook mijn handen zakken nu weg in de terugstroom. Ik laat mijn knieen rusten op en in het zand en pak dapper die laatste golf die niets meer van mij en mijn zoute warrige haar overlaat.
‘Ik woon hier,’ zegt ze trots, wippend van het ene op het andere been, haar lippen naar binnen gekruld, duidelijk in afwachting van mijn ‘wauw!’ ‘Wauw! Wat heerlijk!’ Ik lieg het niet. Ze is krap eenentwintig en heeft Nederland achter zich gelaten. Na zomers surfen, besloot ze te blijven onder het vertrouwensvolle mom van ‘Ik zie wel.’
Even besluipt me een weemoedig verlangen, ter compensatie van die gemiste dramatische overpeinzing van daarnet, denk ik. Wat nou als ik hier helemaal opnieuw zou beginnen? Áls je al van zorgen mag spreken, zouden die zorgen hier dan anders voelen? Ze gooit een bierviltje op de nerven van het hout waar ik dromend naar had zitten staren. ‘Colaatje voor u!’, waarna ze haar ranke lijfje soepel van me afdraait, een pen in haar zwiepende paardenstaart steekt en zich over de bar laat hangen om haar eveneens bloedknappe collega het hemd van het lijf te vragen.
In het holst van de nacht kom ik thuis. Ze liggen overdwars, de benen buiten. Ik stop een schelp in een van de ontspannen handpalmen. Slapend sluit hij zijn vingers. In het licht van de gang pak ik zijn hakje. Ik zou nóóit mijn hielen lichten. Ik wrijf, knijp zachtjes, tel tenen. Hij wiebelt. Een woordeloos en wederzijds ‘ik hoor bij jou’.
