Ik stuur de tandenborstel door mijn schuimbekkende mond. Mijn haar zegt Tina, mijn ogen Mohammed Ali. Een bestuurbare auto rijdt tot vier keer toe tegen mijn enkel. Vanuit de badkamer kijk ik naar het toilet op de gang, waar tussen bungelende benen twee ijverige duimen de controller bedienen. Mijn eerst zo liefdevolle ‘Ja, schat?’, maakt vaker dan ik wil plaats voor een venijnige ‘Jáhaa!?’, omdat ik deze ochtend al driehonderdtwaalf keer het woord mama heb gehoord. Het is zomervakantie.
‘Wat wil je dan!? KOM DAN!’ Door het open raam hoor ik hem aankomen, achteruitlopend met gebalde vuisten in de lucht. Het is ook zijn vakantie. En toch werd mijn man tijdens zijn hardlooprondje aangevallen door een buizerd. Tot viermaal toe had het roofdier een duikvlucht richting zijn toch al dunbehaarde kruin gemaakt. Het beest had ongetwijfeld alleen zijn jongen willen beschermen. Alles voor de koters, moet hij daarboven gedacht hebben.
Na een rustige vlucht en twee dagen in het bruisende Bilbao, pikken we anderhalf uur landinwaarts ons nieuwe thuis voor de komende tweeënhalve week op. Een camper uit 1990 met een ronkende koelkast en doffe paarse strepen op zijn flank. In de nacht zoek ik zaklamploos mijn weg naar het sanitair blok voor nummer twee, -omdat ik die overdag niet durf-, neem zelfverzekerd een shortcut en struikel ongenadig over een scheerlijn van een tweepersoonstent, waardoor de koepel een diepe buiging maakt. Ik ren weg in het vale lantaarnlicht en hoor achter me de raspende tentrits.
‘LINKS! LIHINKS! ANDERE LINKS!’ De jongste blonde broer peddelt ons richting overhellende oeverbegroeiing. Niet veel later pruttel ik takken en bladeren en zijn we een peddel kwijt. Ik zie mijn man wijzen naar een indrukwekkende rotspartij. Er vliegt een steenarend af en aan met aanzienlijke prooien tussen zijn klauwen. Alles voor de koters, moet ook hij daarboven gedacht hebben, terwijl hij de gebruinde kruin links laat liggen.
Onze volgende stop is een huis nabij het prachtige Pamplona, waar meer dan twintig vrienden en familieleden bijeen zijn gekomen voor drie dagen pinxtos, wijn en het hoofddoel: De eclips. We staan midden in uitgestrekte velden. We picknicken, proosten en delen de sullige brilletjes uit. Tegen half negen heeft de maan zijn plek ingenomen, pal voor de zon. De natuur verstilt, lijkt zijn adem in te houden. Vogels verstoppen zich voor gedesoriënteerde vleermuizen. Het licht is filmisch, de omgeving krijgt een metallic filter. Er klinkt welgemeend applaus als de natuur iedereen in vervoering brengt.
Later die avond steken we, languit liggend in het gras, onze koppen bij elkaar. Het vallende sterrenspektakel stelt niet teleur. De jongste blonde broer heeft er al vier gezien. ‘Mama?’ Ja, schat?’ ‘Ik doe alle wensen in mijn zak, voor later als ik ze nodig heb.’ Ik kijk opzij. ‘Je hebt
niets meer te wensen nu?’ Hij schudt zijn hoofd en klopt met zijn hand op zijn
overvolle broekzak. Ik ben het roerend met hem eens als ik de hemel in staar.
Alles voor de koters, moet ook hij daarboven gedacht hebben.
