‘Of je worst lust?’ Dat hij het verkoolde ding op de
glimmende grilvork licht geblakerd noemt, gaat op in een eenendertigjarige
herinnering die mij tijdens deze BBQ opeens verrast.
‘Hij is te lang, ik kan mijn arm bijna niet meer buigen.’
Het stalen heft van het tweepuntige BBQ-gevaarte dat ik bij wijze van wapen
verstopte in de mouw van mijn leren jackie, port in mijn nauwelijks
indrukwekkende dertienjarige biceps. Ze komt naar me toe gelopen met de dan
super hippe opa pet, die ze mij voor deze nachtelijke gelegenheid niet modieus achterstevoren,
maar op de reguliere manier opzet. ‘Rug krom, en fietsen met je knieën naar
buiten, dan lijk je meer op een man,’ vertrouwde ze me zelfverzekerd toe. Na
een dagen durende logeerpartij bij mijn beste vriendinnetje moest ik maar weer
eens in mijn eigen bed slapen, vond mijn moeder. ‘Ben om negen uur thuis, én ik
fiets met iemand mee’, loog ik tegen haar.
Op de helft van de afgelegen route lag het dubieuze bos parkeerplekje, bezocht door wandelaars overdag, waarna ongure types er het
stokje overnamen voor de nacht. In het schamele licht van de enige lantaarn die
de landweg rijk was zag ik er twee mannen, naast een van hen rolde een leeg bierblikje
over de grond. Hun ogen volgden me. ‘Mooie leren jas,’ zei er één. ‘Heb je ook
leren pijpen?’ riep de ander me gierend toe. Even keek ik onnozel naar mijn
spijkerbroek. Daarna strak de duisternis in, stil vertrouwend op mijn ijverige
dynamo.
Op een druilerige middag loop ik met enkele van mijn vrouwelijke
cliënten, jaar of vijftien, een rondje door het park. Eindje verderop staat een
man te zwaaien. Ik kijk om, heb geen idee tegen wie hij het heeft. Als we hem
passeren, verbreekt hij de stilte: ‘Maak ik kans bij één van jullie?’, hij
kijkt ons om de beurt indringend aan. De meiden doen als vanzelf een stap naar
achteren. ‘Eh, nee,’ stamel ik, als we onze pas versnellen. Als ik nogmaals achteromkijk,
zie ik dat hij in rommelige tred zijn weg voortzet naar ongetwijfeld de
volgende groep vrouwen. ‘Blijf maar even voor me lopen’, knik ik naar ze.
‘Voelen jullie je weleens onveilig?’ Ik schenk thee in terwijl ik het groepsgesprek start. Ze kijken elkaar aan, knikken dan achteloos. Uit het gesprek blijkt dat meisjes van vijftien allang weten
hoe ze moeten reageren. Een stap naar achteren, je pas versnellen. Niet te opzichtig
oogcontact maken, niet provoceren. Sleutels tussen je vingers. Live locatie
delen. Afgelegen wegen verruilen voor een kilometers langere route met veel
verkeer.
Vrouwen geven van generatie op generatie het curriculum door om met onveiligheid om te gaan. Nog steeds bewapenen we elkaar, maar tegenwoordig met andere middelen. De grilvork in de mouw maakt plaats voor een live locatie, de opa pet is verruild voor een airtag sleutelhanger. De strategie evolueert, de aanleiding nauwelijks.
Het is niet dat ik er met de pet naar wil gooien. Maar ik doe wel mijn petje af. Voor vrouwen die elkaar blijven bewapenen, totdat veiligheidsstrategieën geen erfgoed meer zijn.
