‘Mijn intuïtie laat mij nóóit in
de steek’, zeg ik vol overtuiging tegen mijn vriendin. Ze knikt bevestigend, meelevend. En vlak voordat ik mijn arrogantie wil onderstrepen met woorden als ‘helder-voelend’, gunt mijn brein mij een zeer recente, relevante herinnering.
Mijn man en ik hanteren op
doordeweekse dagen een duidelijke ochtendroutine. We staan beide rond 6.00 uur op, we doen aan thuissporten, soms met gewichten of op de loopband en op goede dagen in ons bed, waarna elk van
ons naar zijn ‘eigen’ verdieping vertrekt. Ik zorg voor gekuiste bedden, kamers en kinderen en hij voor ontbijt, broodtrommels en in het beste geval, een keurige keuken. Totdat de kinderen
beneden gaan ontbijten, luistert hij een podcast. Over zware nieuwsonderwerpen of een lugubere vermissingszaak. Ik luister countrymuziek.
Als het een ochtend betreft
waarop alles verloopt zoals voorzien, kan het zomaar zo zijn dat ik nog tijd over heb om te doen wat mij -hartstikke- goeddunkt op dat moment: Mij bemoeien met de begane grond.
Ik roep zachtjes doch dringend
zijn koosnaam vanaf de overloop. Dat soort dingen hoort hij nooit vanwege zijn
oortjes en die podcast en eigenlijk weet ik dat best. Over de rand van de
overloop heb ik zicht op zowel de open keuken als een open (gym) tas, pot
pindakaas, pakje boter, vleeswaren, lades en keukenkastjes. Al fluister-schreeuwend herinner ik hem aan de juiste gymtasseninhoud, roep suggesties voor een nieuw soort beleg, doe hardop een gooi naar het weerbeeld van vandaag,
-omdat hij eergisteren de
kinderen de deur uit stuurde met een wat mij betreft te zomerse jas-. En vraag ook of hij de gordijnen niet vergeet te openen. Ik hoor hoe hij stilzwijgend een keuze probeert te maken welke vraag of
suggestie als eerste te behandelen. Hij kiest er dan lafjes voor om maar niet te antwoorden, omdat hij mijn bloed inmiddels natuurlijk wel kan drinken vanwege de dwingende gejaagdheid in
mijn stem en ook omdat hij slecht gehumeurd is door zijn huiveringwekkende
podcastkeuze.
‘Lief? Heb je al naar buiten
gekeken? In het gras?’ Als ik op onze slaapkamer de gordijnen open zie ik maar
liefst acht heksenkringen. De groepen witte paddenstoelen maken een magische indruk daar in het mistige gras. Mijn vrienden noemden mij vroeger om uiteenlopende redenen weleens Maartje
DerHeks, prima. Maar om het zó
duidelijk te maken vind ik wel héél kinderachtig. Ik zucht door twee verdiepingen heen.
Als ik de slaapkamer uitloop zie
ik zijn oortjes op het nachtkastje liggen. Eenmaal beneden tref ik twee kinderen aan een ontbijttafel in een verder keurig opgeruimde keuken. Hun vader die hen met behulp van googleplaatjes op zijn laptop uitlegt over schimmeldraden onder de grond en hoe die perfecte cirkels creëren. ‘Zei je iets?’
vraagt hij, terwijl hij vrolijk de laptop dichtklapt en de kinderen de tuin in rennen om de prachtige
paddenstoelen te bestuderen.
‘Niets,’ zeg ik schuldbewust, terwijl ik een
theezakje uit de la vis. Ik zie hoe zelfs de theedoos op kleur is gesorteerd.
Maar dat zullen de kaboutertjes
wel hebben gedaan vannacht.
